Het hek bij de ingang van het metrostation blijkt om acht uur op zondag nog dicht te zijn. Ik ga op zoek naar een taxi. Verderop in de straat, bij het Ierse hoofdkantoor van Google, kan ik instappen.

‘Kunt u me naar Connolly Station brengen,’ zeg ik, maar als de chauffeur begint te rijden, bedenk ik me dat ik eigenlijk dichter bij de bus naar het vliegveld kan pakken. ‘Misschien kunt u me ook afzetten bij het O2 congrescentrum.’

De taximan is in de war. ‘Waar wilt u heen? U wilt naar Connolly Station?’

‘Ach, doe maar gewoon Connolly Station,’ probeer ik mijn onhandigheid te maskeren.

‘Waar moet u heen?’ vraagt de Ier.

‘Nou, ik wil naar de Airlinkhalte,’ biecht ik op. Het is te vroeg op de ochtend voor schuld en boete.

‘O,’ zegt de man, ‘Ik snap het.’ Ik weet niet hoe ik zijn lichte schoudergebaar moet lezen. Is het ergernis of gelatenheid?

‘Bent u net begonnen?’ vraag ik om van onderwerp te veranderen. De man gnuift. ‘Sinds vannacht,’ bromt hij. ‘O,’ zeg ik, ‘mag u dan haast naar huis?’ Weer een zucht. ‘Als ik nog 120 euro heb gedraaid.’

‘Dat is uw target?’ vraag ik. ‘En hoelang doet u daarover?’

‘Als het zo blijft, kan het nog wel even duren. Er was niet veel te doen,’ zegt de chauffeur lijdzaam.

We zwijgen. Annie vertelde me gisteren dat de taximarkt een paar jaar geleden is vrijgegeven, met als gevolg dat er in Dublin nu net zoveel taxi’s rondrijden als in New York.

‘Hebt u een gezin?’ vraag ik maar eens.

‘Ja.’

‘Gaat het ze goed?’

‘Ja hoor, die liggen nu te slapen,’ zegt de vader. Er klinkt geen sarcasme in zijn woorden.

We zijn al bijna bij de bushalte. ‘Daar komt de bus,’ zegt de chauffeur. En inderdaad rijdt er net een groene dubbeldekker langs de halte, vijftig meter verderop. ‘Ik kan hem proberen in te halen,’ biedt de man aan. Ik wil hem – en misschien meer nog mezelf – dat gênante tafereel besparen. ‘Hoeft niet, hoor. Ik ga er hier wel uit. Ik wacht op de volgende.’

Hij stopt bij de bushalte en stopt de meter. Die staat op € 5.85. ‘Dat is dan 5. 85… Doe maar vijf en een half,’ zegt de vader. Ik geef hem zeven euro om mijn zonden af te kopen en wens hem succes. Ik pak mijn tassen van de achterbank, sla het portier dicht en ontwijk de blikken van de taxichauffeurs die bij de ingang van het hotel verderop op een vrachtje staan te wachten.

De vader trekt op. Nog 113 euro, dan mag hij naar huis.