Ik sta voor het stoplicht bij de Nieuwe Amstelbrug en wacht op groen. Er is iets gebeurd drie meter verderop, midden op de Amsteldijk.

Op de vluchtheuvel ligt een jonge man met bebloed gezicht naast een witte scooter. Ik kan hem eerst niet goed zien omdat er een groepje mensen om hem heen gehurkt zit. Ze kijken bezorgd en opgewonden. Ze zijn allemaal vrij jong, midden twintig, een paar jaar ouder dan de gewonde scooterrijder op zijn hoogst. Ze zijn goed gekleed en fris gewassen voor de dag die gaat komen in werk of studie. Maar nu hebben zij, tot voor enkele ogenblikken waarschijnlijk volkomen vreemden voor elkaar, met z’n allen één middelpunt gekozen.

Het tafereel doet me denken aan de schilderijen waarin Jezus wordt beweend door de vrouwen en apostelen om hem heen. Over het gezicht van de jongen lopen bloedige strepen, de omstanders schermen hem af van het verkeer dat stapvoets langsrijdt. Een meisje uit het groepje ontfermt zich over een neergeslingerde fiets. Het lijkt alsof er hemelse wezens zijn neergedaald om de jongen te behoeden voor erger.

Over de brug komt een politiewagen aanrijden. Alles beweegt in een choreografie van gebaren die het onheil bezweren. Twee mensen, een man in een lichtbruin jasje en spijkerbroek en een meisje in een zwart regenjack, leggen hun handen op de knul die blijkbaar met zijn scooter hard onderuit is gegaan. Het is een vers ongeluk. Het moment van de val heeft zich hooguit enkele minuten eerder voorgedaan. Op het trottoir staan een paar voetgangers toe te kijken. Niemand is in paniek. Een jonge blonde agente stapt uit de politieauto, werpt een blik op de gevallene. Een meisje uit de groep roept haar iets toe. De agente loopt terug en praat tegen haar oudere collega. Verderop klinkt al de sirene van een ziekenwagen. Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis ligt twee straten verderop.

Het licht springt op groen. Ik fiets verder, langs het groepje. De ziekenwagen komt nu over de brug. Het zal wel goed komen met die knul.

Later die middag, als ik de meisjes van school heb gehaald, sta ik weer voor het rode stoplicht. Een jongen met kort geschoren haar op een rode Vespa steekt een sigaret op. Rechts naast hem staat een jonge vrouw in een bloemenjurk naast haar fiets. Ze maakt een opmerking tegen de jongen dat ze last heeft van de rook die in haar gezicht waait. De jongen mompelt ‘sorry’, het licht springt op groen, we rijden door.

Alles in Amsterdam is weer normaal.