Het jaar is net begonnen, maar de eerste held van 2011 is al bekend. Onverschrokken buurjongen Merijn achterhaalde de dief die er met Joanna’s fiets vandoor wilde.

Op zondagmiddag zit ik wat te werken. Als er iemand voor het raam blijft staan, kijk ik op van mijn computer. Door de jaloezieën zie ik hoe een jongen de grote mamafiets van mijn vrouw optilt. Die staat zoals meestal voor onze winkel op straat geparkeerd. In eerste instantie denk ik ‘die gast moet vast ergens bij of zo’. Maar er is iets wat een alarmbelletje doet rinkelen. Er zit iets heel doelgerichts in de manier waarop de jongen met de donkere muts de fiets pakt.

Eén tel later zie ik hoe hij op de fiets stapt en zich afzet om over de stoep weg te fietsen. Op de fiets van Joanna. Die dus niet op slot staat? Ho! Ik spring op van mijn stoel, trek de deur open en ren schreeuwend naar buiten: ‘Hé, blijf van die fiets af! Hé!’

Ik zie de dief met gekromde rug kracht zetten en brul tegen een blonde jongen die op de hoek van de straat staat: ‘Hij jat die fiets!’ Ineens raken mijn voeten in de knoop. Ik kwak pardoes op de straattegels. Mijn handen schuren over de grond, ik haal mijn linkerknie open en mijn bril valt af. Ik raap de bril op, zet hem weer op en krabbel overeind. Ik zet de achtervolging opnieuw in. Dan zie ik dat de jongen op de hoek van de straat op zijn fiets springt en vol op de pedalen gaat, achter de fietsendief aan.

Ik kijk naar mijn voeten en zie dat mijn veters los zijn. Ik heb mijn schoenen aangedaan omdat ik koude voeten kreeg van de badslippers die ik eerder aan had. Maar ik heb de veters niet gestrikt. Nu is er geen tijd om ze te strikken. Ik snel de hoek om op de Van Woustraat en zie nog net hoe de dief op de loodzware Sparta de Tweede Jan Steenstraat in duikt, richting Amstel.

Dan komt het uit mijn mond: ‘Houd de dief! Het zijn woorden die werken. Voorbijgangers kijken meteen op, wandelaars zijn onmiddellijk gemotiveerd om te helpen, de straat staat even stil. Ik stuit op een groepje van drie meiden. Eentje vraagt me of ik een telefoon heb. Jazeker heb ik een telefoon, maar wat moet ik ermee? 112 bellen? De dief mijn telefoon achterna werpen? Ik kijk naar mijn handen. Die zijn flink geschaafd. Fuck! Wat nu? Terug naar huis, de fiets pakken en achter de onverlaat aan.

Ik zie Joanna op de hoek van onze straat staan en schreeuw dat haar fiets is gejat. ‘Hoe kan dat?!’ roept ze. Ik hobbel terug, kom binnen op kantoor, waar zoon Billy in totale verwarring is. Die zat gewoon zijn huiswerk te doen, toen zijn pa ineens als een dolleman naar buiten rende. Ik was snel het vuil van mijn handen en pak mijn jas, om naar buiten te gaan en mijn fiets te pakken. Ik vloek binnensmonds, omdat Joanna de fiets niet op slot heeft gezet, omdat dit flink geld gaat kosten, omdat mijn broek stuk is van de val.

Ineens verschijnt de jongen die achter het boefje aan was, op zijn fiets op het trottoir. ‘Hij heeft hem neergegooid. Hij is weggerend,’ hijgt hij. Joanna en ik staan één tel perplex. De jongen zegt dat er mensen bij de fiets staan. Ik neem Joanna achterop en we fietsen gedrieën naar de Jan Steen.

Bij de fiets staan inmiddels twee agenten en een jong stel. De agenten zijn jong en kalm. Ze noteren het signalement van de dader, in een notitieboekje waarvan je denkt dat die alleen in tv-series worden gebruikt. ‘Jullie zijn helden,’ zegt Joanna tegen het stel dat opgewonden bij de fiets staat te praten. Maar ze bedoelt natuurlijk Merijn, die zomaar op de fiets sprong, de gauwdief achterna. En misschien mij ook een beetje, die het rotjoch heus wel zelf in de kraag had gevat. Als ik niet was gestruikeld…

De moraal van dit verhaal? Ook in 2011 zijn er weer helden in Amsterdam. En strik altijd je veters, ook als je op zondagmiddag 2 januari gaat zitten werken. Gelukkig nieuwjaar!