Archive for September, 2011

Het hek bij de ingang van het metrostation blijkt om acht uur op zondag nog dicht te zijn. Ik ga op zoek naar een taxi. Verderop in de straat, bij het Ierse hoofdkantoor van Google, kan ik instappen.

‘Kunt u me naar Connolly Station brengen,’ zeg ik, maar als de chauffeur begint te rijden, bedenk ik me dat ik eigenlijk dichter bij de bus naar het vliegveld kan pakken. ‘Misschien kunt u me ook afzetten bij het O2 congrescentrum.’

De taximan is in de war. ‘Waar wilt u heen? U wilt naar Connolly Station?’

‘Ach, doe maar gewoon Connolly Station,’ probeer ik mijn onhandigheid te maskeren.

‘Waar moet u heen?’ vraagt de Ier.

‘Nou, ik wil naar de Airlinkhalte,’ biecht ik op. Het is te vroeg op de ochtend voor schuld en boete.

‘O,’ zegt de man, ‘Ik snap het.’ Ik weet niet hoe ik zijn lichte schoudergebaar moet lezen. Is het ergernis of gelatenheid?

‘Bent u net begonnen?’ vraag ik om van onderwerp te veranderen. De man gnuift. ‘Sinds vannacht,’ bromt hij. ‘O,’ zeg ik, ‘mag u dan haast naar huis?’ Weer een zucht. ‘Als ik nog 120 euro heb gedraaid.’

‘Dat is uw target?’ vraag ik. ‘En hoelang doet u daarover?’

‘Als het zo blijft, kan het nog wel even duren. Er was niet veel te doen,’ zegt de chauffeur lijdzaam.

We zwijgen. Annie vertelde me gisteren dat de taximarkt een paar jaar geleden is vrijgegeven, met als gevolg dat er in Dublin nu net zoveel taxi’s rondrijden als in New York.

‘Hebt u een gezin?’ vraag ik maar eens.

‘Ja.’

‘Gaat het ze goed?’

‘Ja hoor, die liggen nu te slapen,’ zegt de vader. Er klinkt geen sarcasme in zijn woorden.

We zijn al bijna bij de bushalte. ‘Daar komt de bus,’ zegt de chauffeur. En inderdaad rijdt er net een groene dubbeldekker langs de halte, vijftig meter verderop. ‘Ik kan hem proberen in te halen,’ biedt de man aan. Ik wil hem – en misschien meer nog mezelf – dat gênante tafereel besparen. ‘Hoeft niet, hoor. Ik ga er hier wel uit. Ik wacht op de volgende.’

Hij stopt bij de bushalte en stopt de meter. Die staat op € 5.85. ‘Dat is dan 5. 85… Doe maar vijf en een half,’ zegt de vader. Ik geef hem zeven euro om mijn zonden af te kopen en wens hem succes. Ik pak mijn tassen van de achterbank, sla het portier dicht en ontwijk de blikken van de taxichauffeurs die bij de ingang van het hotel verderop op een vrachtje staan te wachten.

De vader trekt op. Nog 113 euro, dan mag hij naar huis.

Van sommige sterke verhalen word je gewoon vrolijk.

Wat dacht je van het wonderbaarlijke avontuur van supporter Stephen Molloy, die na afloop van de gewonnen kampioenswedstrijd over de omheining sprong en anderhalf uur lang de overwinning vierde met de spelers, coach en verzorgers van zijn team zonder dat ook maar iemand zich afvroeg wat hij daar deed?

Stephen liep naar de reservebank, trok stiekem het jack van een reservespeler aan en toen kon het feest beginnen. Hij omhelsde alle spelers, stond brullend naast de coach en hield de cup vier keer omhoog.

Na anderhalf uur besloot hij dat het welletjes was. Hij ging in alle rust het veld weer af, haalde in de pub nog een pintje en ging daarna naar huis voor de nabeschouwing.

De volgende dag stond Stephen Molloy met zijn snufferd in alle kranten. Sláinte!

 

De jongen met de trombone oefent op het refrein van Coldplay’s megahit uit 2008. Het is nauwelijks te horen, want om hem heen blaast iedereen zijn instrument warm. Tientallen mensen blijven staan en pakken hun telefoon om een foto of filmpje te maken.

Een meisje van een jaar of twee laat haar ballon los, die vervolgens als een oranje wolkje opstijgt. Het kind barst in huilen uit. Haar vader lacht, maar het kind is ontroostbaar. De ballon dwarrelt tegen een gevel en daalt dan wonderbaarlijk weer naar beneden. Een jongeman grijpt hem bij het touwtje en zoekt het meisje. Dat staat bij de vrolijke meiden van Culture Night die de ballonnen op straat uitdelen.

Ineens stopt het getoeter even en zet een dik ventje uit de band ‘Happy Birthday’ in. De rest van de drumband valt in en het lied schalt door het nauwe straatje. Sommige toeschouwers zingen mee. De lachende vader heeft zijn dochter, voorzien van nieuwe ballon, opgetild. Ze kijkt verlegen, de jarige dreumes. Iedereen klapt. Dan is het tijd om te gaan marcheren.

Het nieuwe Dublin is een fakestad, zegt Michael. Vol glanzende gebouwen neergezet voor een dode economie. Spiegels zonder ziel, lege hulzen in een boom town waar het kruit verschoten is.

 

Landsdowne Road, het fonkelnieuwe stadion zit vol, maar het voetbal onder coach Trappatoni is puur catenaccio. De kunst krijgt ook hier klappen, maar niemand schreeuwt om cultuur. Ze kijken met verbazing naar de resterende budgetten in Nederland en maken er vol goede moed het beste van.

Het betonnen skelet voor het nieuwe hoofdkantoor van de Anglo Irish Bank, zeg maar hun Fortis, kan een nieuwe bestemming krijgen als verticaal stadspark. Met dank aan het Expopaviljoen van MRVDV, Hannover 2000.

 

Intussen hangt Michaels zoon in een boom in de achtertuin. Pas op, zegt Michael, die tak breekt een keer. Maar Thomas heeft vertrouwen en klimt vrolijk verder.

Boom in Dublin

Noel neemt een slok van zijn pint Galway Hooker en schudt meewarig het hoofd. ‘Jonge mensen verbazen zich over de banken die de hele boel bedonderd hebben, maar ik heb het zeker al twee keer eerder gezien. In de jaren tachtig en negentig.’ Noel is de tweede zure Dubliner die ik spreek vandaag. Op Schiphol hoorde ik tijdens de vertraging de klaagzang aan van een Italiaans-Indiase fish ‘n chips shop-eigenaar, die de corruptie en drankzucht van het volk van zijn Ierse echtgenote vervloekte. ‘Het ligt niet aan de drank, maar aan het gemak waarmee de Ieren in het vastgoed gingen,’ vindt Noel.

Hij is niet gezwicht toen zijn vrouw hem de appel uit de Boom voorhield. Hij heeft geluk, met zijn baan als IT’er bij de Irish Times. Zijn vrouw is ambtenaar, dus de crisis zingen zij wel uit. En de euro moet blijven, desnoods op twee sporen. ‘Wij horen op het tweede spoor, maar in elk geval hebben wij niet gelogen over onze financiën, zoals de Grieken.’ Ik ben even klaar met doemdenkende Dubliners en wil op zoek naar de chip shop. Morgen koop ik je krant, zeg ik tegen Noel. Hij grijpt in zijn tas en haalt de krant van vandaag eruit. ‘Hier,’ zegt hij. De krant is ouderwets. Later in mijn hotel kom ik erachter dat de sportpagina ontbreekt.

Ik sta voor het stoplicht bij de Nieuwe Amstelbrug en wacht op groen. Er is iets gebeurd drie meter verderop, midden op de Amsteldijk.

Op de vluchtheuvel ligt een jonge man met bebloed gezicht naast een witte scooter. Ik kan hem eerst niet goed zien omdat er een groepje mensen om hem heen gehurkt zit. Ze kijken bezorgd en opgewonden. Ze zijn allemaal vrij jong, midden twintig, een paar jaar ouder dan de gewonde scooterrijder op zijn hoogst. Ze zijn goed gekleed en fris gewassen voor de dag die gaat komen in werk of studie. Maar nu hebben zij, tot voor enkele ogenblikken waarschijnlijk volkomen vreemden voor elkaar, met z’n allen één middelpunt gekozen.

Het tafereel doet me denken aan de schilderijen waarin Jezus wordt beweend door de vrouwen en apostelen om hem heen. Over het gezicht van de jongen lopen bloedige strepen, de omstanders schermen hem af van het verkeer dat stapvoets langsrijdt. Een meisje uit het groepje ontfermt zich over een neergeslingerde fiets. Het lijkt alsof er hemelse wezens zijn neergedaald om de jongen te behoeden voor erger.

Over de brug komt een politiewagen aanrijden. Alles beweegt in een choreografie van gebaren die het onheil bezweren. Twee mensen, een man in een lichtbruin jasje en spijkerbroek en een meisje in een zwart regenjack, leggen hun handen op de knul die blijkbaar met zijn scooter hard onderuit is gegaan. Het is een vers ongeluk. Het moment van de val heeft zich hooguit enkele minuten eerder voorgedaan. Op het trottoir staan een paar voetgangers toe te kijken. Niemand is in paniek. Een jonge blonde agente stapt uit de politieauto, werpt een blik op de gevallene. Een meisje uit de groep roept haar iets toe. De agente loopt terug en praat tegen haar oudere collega. Verderop klinkt al de sirene van een ziekenwagen. Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis ligt twee straten verderop.

Het licht springt op groen. Ik fiets verder, langs het groepje. De ziekenwagen komt nu over de brug. Het zal wel goed komen met die knul.

Later die middag, als ik de meisjes van school heb gehaald, sta ik weer voor het rode stoplicht. Een jongen met kort geschoren haar op een rode Vespa steekt een sigaret op. Rechts naast hem staat een jonge vrouw in een bloemenjurk naast haar fiets. Ze maakt een opmerking tegen de jongen dat ze last heeft van de rook die in haar gezicht waait. De jongen mompelt ‘sorry’, het licht springt op groen, we rijden door.

Alles in Amsterdam is weer normaal.