Het is de avond van eerste kerstdag, de schoonfamilie is naar huis, het kerstdiner is verorberd, de kinderen zijn naar bed. Waar kijken de Nederlanders naar op tv? Bijna 1,7 miljoen kozen voor Oorlogswinter (Martin Koolhoven, 2008). Twee jaar geleden ben ik de film met zoon Billy gaan zien in de bioscoop. Hij was er toen met zijn tien jaar eigenlijk te jong voor, volgens de bioscoopkeuring. Blijkbaar heeft de vertelling indruk gemaakt. Als ik er de volgende dag over begin, herinnert hij zich opvallend veel: ‘Die vader wou niet dat iemand anders in plaats van hem doodgeschoten werd.’ En dat er een paard en een oom in worden doodgeschoten weet hij ook nog.

De nulweg

Drie winterse dagen later komen we teruggereden uit Musselkanaal waar we hebben geklust in de nieuwe woning van mijn moeder. Ik besluit de terugreis aan te vangen via de N366, om eens te kijken of het nu naar Emmen korter duurt dan via de pittoreske, maar trage Drentse monden. Joanna wijst Billy op de eindeloze schakeringen blauwgrijs die de bleke winterzon aan het wattenwolkendek geeft. Foebe hoort niets, want zij luistert naar liedjes op papa’s iPodje.

Bij Ter Apel komen we langs een ventweg waar enkele gestalten rondlopen. Op de achtergrond zien we rechthoekige gebouwen die bedoeld lijken voor bewoning. Maar er is hier geen dorpskern, alleen een gebiedje met wat bedrijfspanden. En die woonblokken dus. Hier ligt het uitzetcentrum van de Immigratie en Naturalisatiedienst. Je komt er door de afslag Nulweg te nemen, waar we net voorbij zijn gereden.

Verderop zie ik twee gestalten lopen. De ene is een vrouw gehuld in een dikke winterjas met een rode koffer. Een paar meter voor haar loopt een kind. Aan haar postuur te zien is het een meisje van een jaar of zeven. Ze lopen samen over de witte ventweg in zuidelijke richting. Naar nergens, zo te zien.

Vrijheid

In de film over de winter van ’44-’45 zitten enkele scènes waarin evacués uit de stad met hun schamele bezittingen over de dorpswegen zwoegen, op weg naar de dorpen, in de hoop dat de mensen hen gastvrij ontvangen en hun schaarse voedsel met hen delen. In de winter van ’10- ’11 sturen wij vluchtelingen ook naar het platteland. Daar bevinden zij zich ver uit ons blikveld. Daar beleven zij in onze zogeheten Vrijheid Beperkende Locatie hun eigen oorlogswinter. Waar is de Jan Terlouw die dit verhaal vertelt?