Gelukkig is er Holland Park. Voor de man die op zondag om 6.11 wakker wordt, met de klanken van Kate in zijn hoofd.

Milo of CrotonBij het Belvedere restaurant staan twee jongens boksoefeningen te doen. Verderop in de bloementuin loopt een Japans gezin. De oudere man fotografeert zijn zoon of schoonzoon bij het beeld van Milo van Croton, de oud-Griekse worstelaar die een boom met zijn handen probeerde te splijten en vast kwam te zitten, waarna hij door wolven werd verscheurd. De Japanse jongen kijkt verveeld, maar als hij poseert, gaat zijn bril af en trekt hij zijn mond in een plooi die plezier moet voorstellen. Het gezicht waar hij in vastzit.

Puur plezier komt aandraven: een jongetje van een jaar of drie, uitgelaten achtervolgd door een wit hondje met krulvacht en een jackje om hem aan te lijnen. De moeder kuiert achter het stel aan, haar ogen verscholen door een zonnebril, gezicht gericht op haar telefoon.

‘I’m going this way! I’m going this way!’ roept het jochie, en scheert langs de bloemenperken. Het hondje volgt hem op de voet, zonder te blaffen. Het kind slingert zich rond de benen van zijn moeder en duikt ertussendoor. Daar gaat hij weer, over de schuine paadjes. Zijn blonde haren komen nauwelijks boven de gele zee van uitbundig bloeiende zonnehoed uit.

In de Kyoto tuin is het druk met bezoekers die komen peinzen bij de vijver met Koikarpers. Duiven klapwieken boven hun hoofd tussen de bomen door. Ik denk aan gisteravond. ‘Welcome to the loneliest city in the world.’ De stad, waar je de Moldaviër, Albanees of Italiaan ontmoet als Londenaar, toont haar ware regenachtige Engelse karakter in parken en tuinen. De vogels en planten, de paden en perken. ‘I’m going this way.’

Top of the City

Haar vlijmscherpe klauw dringt de borst van de weerloze duif binnen. Ze grijpt zijn bonkende hart vast en wringt er al het verlangen uit. Even is er niets: geen schuld, geen boete, geen angst, geen adem. De zoete pijn van de overgave.

The Morning Fog

 Alle mist is opgetrokken. Ze dansen en zingen in het warme licht en hemelse muziek. Zij bezingt de liefde in de eenvoudigste woorden. Zo wil ik houden van. Mijn moeder, mijn vader, mijn geliefden.

Trek me op en laat me zeilen op de wind. Op naar de wolken, hoog boven de golven. En laat me dan vallen, laat het touw vieren, maar trek me weer op uit mijn duikvlucht voordat ik het strand raak.

Is het toeval dat deze maand de Joseph Mallord William Turner, die o zo Britse schilder, wordt gevierd? Painting Set Free heet de tentoonstelling in Tate Britain. Zou Bush ook bevrijd zijn, van haar mythe, nu ze op blote voeten haar hernieuwde podiumdebuut heeft gemaakt als excentrieke koningin-moeder van haar fellowship?

Norham Castle, Sunrise c.1845 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851Tate rijmt op Kate, en al zit het hoofd inmiddels boordevol vogels, bloemen, bussen, straten, en eindeloos veel gezichten en lijven, toch is er de wil om met de blik van de schilder te zien. En al zit er glas tussen olie en adem, ook hier Moments of Pleasure.

In het licht van de ochtendzon staat een koe. Als je lang genoeg zitten blijft, gaat de verf stralen. Het doek in de Tate geeft licht, zoals Kate licht geeft met de ziel in haar muziek en stem. ‘What a lovely afternoon.’

Maandagochtend in Amsterdam staat er 7.05 op de wekker. In de binnentuinen koert een duif. Hoehooe-hooe-hoehoe. A Sky of Honey. Gewoon thuis. Ik krijg zin om in de tuin te werken.

In de zomer van 1999 rijdt een zilvergrijze Volvo 740 automaat uit 1989 de veerboot af op Kökar, een eiland in de Baltische zee tussen Zweden en Finland. Op de achterbank zit een jongetje van ruim één jaar in een Maxicosi.

Uit de speakers van de auto klinken voor de zoveelste keer die reis de beginakkoorden van Coldplay’s debuutalbum Parachutes. ‘We live in a beautiful world‘, zingt Chris Martin. De Volvo verlaat de geasfalteerde weg en rijdt naar de camping, een wolk van stof opwerpend achter de bumper.

Op 17 december 2011 rijden een vader en een zoon van 13 samen naar Rotterdam. De Volvo is een V70 uit 2001. Coldplay speelt live in Ahoy, om een album met een hele rare naam te promoten. Het is de tweede keer dat de jongen naar een Coldplayconcert gaat. Op zijn elfde was hij erbij in het Goffertpark in Nijmegen. Nu zal hij meer van het concert zien, want de twee zitten op de eerste ring.

Eerder die dag heeft de jongen op zijn Facebookpagina een bericht geplaatst dat zijn eerste eigen liedje online te koop is. Hij heeft het geschreven in de zomervakantie, om een smart phone te verdienen. Het is helemaal zijn eigen song, met een tekst in het Engels en een fijn arrangement van zijn gitaarleraar. En waarom ook niet? We live in a beautiful world.

.

Ken je het BBC-programma Dragon’s Den? Vijf rijke investeerders luisteren naar een pitch van druistige ondernemers en enthousiaste uitvinders die allemaal hopen op een cashinjectie en toegang tot de kennis, ervaring en het netwerk van de vijf vermogende ‘dragons’. Het is een van de weinige programma’s waarbij ik hartgrondig vloek als ik het heb gemist. Helaas mogen wij aan deze kant van de grijze plas geen gemiste uitzendingen bekijken.

Gisteren zag ik Ronald Plasterk bij Nieuwsuur en ik moest aan Dragon’s Den denken. Het zal de manier zijn waarop de politieke partijen aan de linkerkant van de Kamer omgaan met het gedoogkabinet van de reactionaire Rutte en bepaalde keuzes en besluiten verdedigen. Herhaaldelijk werken zij op tamelijk cruciale dossiers mee aan de agenda van het kabinet, of het nu gaat om steun voor het opleiden van politie-agenten voor de oorlog in Afghanistan of steun aan Griekenland. En elke keer is het argument dat dit in het belang is van de Afghanen, de Grieken en uiteindelijk van ons allemaal. Zou dat nu echt zo zijn? Of zou het in het belang van het land en in het verlengde daarvan van onze internationale partners zijn dat dit kabinet zo snel mogelijk naar huis wordt gestuurd, linksom of rechtsom?

Waar in Dragon’s Den de kandidaten om een investering vragen, lijken het in Nederland kandidaten Cohen en Sap die maar blijven investeren in de relatie met een premier die geen return on investment gaat bieden. Zal de kiezer hen uiteindelijk belonen? Aan de peilingen valt af te lezen dat ook deze uiteindelijk een droog oordeel over de linkse moreelverantwoordelijken velt: ‘I’m out’.

Plasterk komt nu met een tienpuntenplan. Zou de achterban van links echt zitten te wachten op tien redelijke standpunten? Of verlangt men een klip en klaar antwoord op Rutte en zijn reactionaire kompanen Verhagen en Wilders: compromisloze oppositie? Eens normaal doen zou voor de oppositie zo gek nog niet zijn.

PS Gisteren, toen ik dit stukje schreef en het filmpje met Jobs vond, ging het even door me heen: ‘de volgende keer dat we over Steve Jobs horen, is hij dood.’ Vandaag blijkt dat te kloppen. Ik heb nog even overwogen om het weg te halen, uit respect. Maar eigenlijk vind ik het een mooie tribute. Enjoy with a smile.

 

Het hek bij de ingang van het metrostation blijkt om acht uur op zondag nog dicht te zijn. Ik ga op zoek naar een taxi. Verderop in de straat, bij het Ierse hoofdkantoor van Google, kan ik instappen.

‘Kunt u me naar Connolly Station brengen,’ zeg ik, maar als de chauffeur begint te rijden, bedenk ik me dat ik eigenlijk dichter bij de bus naar het vliegveld kan pakken. ‘Misschien kunt u me ook afzetten bij het O2 congrescentrum.’

De taximan is in de war. ‘Waar wilt u heen? U wilt naar Connolly Station?’

‘Ach, doe maar gewoon Connolly Station,’ probeer ik mijn onhandigheid te maskeren.

‘Waar moet u heen?’ vraagt de Ier.

‘Nou, ik wil naar de Airlinkhalte,’ biecht ik op. Het is te vroeg op de ochtend voor schuld en boete.

‘O,’ zegt de man, ‘Ik snap het.’ Ik weet niet hoe ik zijn lichte schoudergebaar moet lezen. Is het ergernis of gelatenheid?

‘Bent u net begonnen?’ vraag ik om van onderwerp te veranderen. De man gnuift. ‘Sinds vannacht,’ bromt hij. ‘O,’ zeg ik, ‘mag u dan haast naar huis?’ Weer een zucht. ‘Als ik nog 120 euro heb gedraaid.’

‘Dat is uw target?’ vraag ik. ‘En hoelang doet u daarover?’

‘Als het zo blijft, kan het nog wel even duren. Er was niet veel te doen,’ zegt de chauffeur lijdzaam.

We zwijgen. Annie vertelde me gisteren dat de taximarkt een paar jaar geleden is vrijgegeven, met als gevolg dat er in Dublin nu net zoveel taxi’s rondrijden als in New York.

‘Hebt u een gezin?’ vraag ik maar eens.

‘Ja.’

‘Gaat het ze goed?’

‘Ja hoor, die liggen nu te slapen,’ zegt de vader. Er klinkt geen sarcasme in zijn woorden.

We zijn al bijna bij de bushalte. ‘Daar komt de bus,’ zegt de chauffeur. En inderdaad rijdt er net een groene dubbeldekker langs de halte, vijftig meter verderop. ‘Ik kan hem proberen in te halen,’ biedt de man aan. Ik wil hem – en misschien meer nog mezelf – dat gênante tafereel besparen. ‘Hoeft niet, hoor. Ik ga er hier wel uit. Ik wacht op de volgende.’

Hij stopt bij de bushalte en stopt de meter. Die staat op € 5.85. ‘Dat is dan 5. 85… Doe maar vijf en een half,’ zegt de vader. Ik geef hem zeven euro om mijn zonden af te kopen en wens hem succes. Ik pak mijn tassen van de achterbank, sla het portier dicht en ontwijk de blikken van de taxichauffeurs die bij de ingang van het hotel verderop op een vrachtje staan te wachten.

De vader trekt op. Nog 113 euro, dan mag hij naar huis.

Van sommige sterke verhalen word je gewoon vrolijk.

Wat dacht je van het wonderbaarlijke avontuur van supporter Stephen Molloy, die na afloop van de gewonnen kampioenswedstrijd over de omheining sprong en anderhalf uur lang de overwinning vierde met de spelers, coach en verzorgers van zijn team zonder dat ook maar iemand zich afvroeg wat hij daar deed?

Stephen liep naar de reservebank, trok stiekem het jack van een reservespeler aan en toen kon het feest beginnen. Hij omhelsde alle spelers, stond brullend naast de coach en hield de cup vier keer omhoog.

Na anderhalf uur besloot hij dat het welletjes was. Hij ging in alle rust het veld weer af, haalde in de pub nog een pintje en ging daarna naar huis voor de nabeschouwing.

De volgende dag stond Stephen Molloy met zijn snufferd in alle kranten. Sláinte!

 

De jongen met de trombone oefent op het refrein van Coldplay’s megahit uit 2008. Het is nauwelijks te horen, want om hem heen blaast iedereen zijn instrument warm. Tientallen mensen blijven staan en pakken hun telefoon om een foto of filmpje te maken.

Een meisje van een jaar of twee laat haar ballon los, die vervolgens als een oranje wolkje opstijgt. Het kind barst in huilen uit. Haar vader lacht, maar het kind is ontroostbaar. De ballon dwarrelt tegen een gevel en daalt dan wonderbaarlijk weer naar beneden. Een jongeman grijpt hem bij het touwtje en zoekt het meisje. Dat staat bij de vrolijke meiden van Culture Night die de ballonnen op straat uitdelen.

Ineens stopt het getoeter even en zet een dik ventje uit de band ‘Happy Birthday’ in. De rest van de drumband valt in en het lied schalt door het nauwe straatje. Sommige toeschouwers zingen mee. De lachende vader heeft zijn dochter, voorzien van nieuwe ballon, opgetild. Ze kijkt verlegen, de jarige dreumes. Iedereen klapt. Dan is het tijd om te gaan marcheren.

Het nieuwe Dublin is een fakestad, zegt Michael. Vol glanzende gebouwen neergezet voor een dode economie. Spiegels zonder ziel, lege hulzen in een boom town waar het kruit verschoten is.

 

Landsdowne Road, het fonkelnieuwe stadion zit vol, maar het voetbal onder coach Trappatoni is puur catenaccio. De kunst krijgt ook hier klappen, maar niemand schreeuwt om cultuur. Ze kijken met verbazing naar de resterende budgetten in Nederland en maken er vol goede moed het beste van.

Het betonnen skelet voor het nieuwe hoofdkantoor van de Anglo Irish Bank, zeg maar hun Fortis, kan een nieuwe bestemming krijgen als verticaal stadspark. Met dank aan het Expopaviljoen van MRVDV, Hannover 2000.

 

Intussen hangt Michaels zoon in een boom in de achtertuin. Pas op, zegt Michael, die tak breekt een keer. Maar Thomas heeft vertrouwen en klimt vrolijk verder.

Boom in Dublin

Noel neemt een slok van zijn pint Galway Hooker en schudt meewarig het hoofd. ‘Jonge mensen verbazen zich over de banken die de hele boel bedonderd hebben, maar ik heb het zeker al twee keer eerder gezien. In de jaren tachtig en negentig.’ Noel is de tweede zure Dubliner die ik spreek vandaag. Op Schiphol hoorde ik tijdens de vertraging de klaagzang aan van een Italiaans-Indiase fish ‘n chips shop-eigenaar, die de corruptie en drankzucht van het volk van zijn Ierse echtgenote vervloekte. ‘Het ligt niet aan de drank, maar aan het gemak waarmee de Ieren in het vastgoed gingen,’ vindt Noel.

Hij is niet gezwicht toen zijn vrouw hem de appel uit de Boom voorhield. Hij heeft geluk, met zijn baan als IT’er bij de Irish Times. Zijn vrouw is ambtenaar, dus de crisis zingen zij wel uit. En de euro moet blijven, desnoods op twee sporen. ‘Wij horen op het tweede spoor, maar in elk geval hebben wij niet gelogen over onze financiën, zoals de Grieken.’ Ik ben even klaar met doemdenkende Dubliners en wil op zoek naar de chip shop. Morgen koop ik je krant, zeg ik tegen Noel. Hij grijpt in zijn tas en haalt de krant van vandaag eruit. ‘Hier,’ zegt hij. De krant is ouderwets. Later in mijn hotel kom ik erachter dat de sportpagina ontbreekt.

Ik sta voor het stoplicht bij de Nieuwe Amstelbrug en wacht op groen. Er is iets gebeurd drie meter verderop, midden op de Amsteldijk.

Op de vluchtheuvel ligt een jonge man met bebloed gezicht naast een witte scooter. Ik kan hem eerst niet goed zien omdat er een groepje mensen om hem heen gehurkt zit. Ze kijken bezorgd en opgewonden. Ze zijn allemaal vrij jong, midden twintig, een paar jaar ouder dan de gewonde scooterrijder op zijn hoogst. Ze zijn goed gekleed en fris gewassen voor de dag die gaat komen in werk of studie. Maar nu hebben zij, tot voor enkele ogenblikken waarschijnlijk volkomen vreemden voor elkaar, met z’n allen één middelpunt gekozen.

Het tafereel doet me denken aan de schilderijen waarin Jezus wordt beweend door de vrouwen en apostelen om hem heen. Over het gezicht van de jongen lopen bloedige strepen, de omstanders schermen hem af van het verkeer dat stapvoets langsrijdt. Een meisje uit het groepje ontfermt zich over een neergeslingerde fiets. Het lijkt alsof er hemelse wezens zijn neergedaald om de jongen te behoeden voor erger.

Over de brug komt een politiewagen aanrijden. Alles beweegt in een choreografie van gebaren die het onheil bezweren. Twee mensen, een man in een lichtbruin jasje en spijkerbroek en een meisje in een zwart regenjack, leggen hun handen op de knul die blijkbaar met zijn scooter hard onderuit is gegaan. Het is een vers ongeluk. Het moment van de val heeft zich hooguit enkele minuten eerder voorgedaan. Op het trottoir staan een paar voetgangers toe te kijken. Niemand is in paniek. Een jonge blonde agente stapt uit de politieauto, werpt een blik op de gevallene. Een meisje uit de groep roept haar iets toe. De agente loopt terug en praat tegen haar oudere collega. Verderop klinkt al de sirene van een ziekenwagen. Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis ligt twee straten verderop.

Het licht springt op groen. Ik fiets verder, langs het groepje. De ziekenwagen komt nu over de brug. Het zal wel goed komen met die knul.

Later die middag, als ik de meisjes van school heb gehaald, sta ik weer voor het rode stoplicht. Een jongen met kort geschoren haar op een rode Vespa steekt een sigaret op. Rechts naast hem staat een jonge vrouw in een bloemenjurk naast haar fiets. Ze maakt een opmerking tegen de jongen dat ze last heeft van de rook die in haar gezicht waait. De jongen mompelt ‘sorry’, het licht springt op groen, we rijden door.

Alles in Amsterdam is weer normaal.

Ik ben dol op de V&D. Dat komt door vroeger. Toen ik een jaar of zes, zeven was, vormde het bezoek aan Vroom en Dreesmann een van de hoogtepunten van een dagje naar de grote stad. De bus die zo trilde door de machtige dieselmotor, het pannenkoekenhuis met de geruite tafelkleedjes en de V&D, daar kon ik weer weken op teren.

Mijn oom werkte bij V&D, als ik het me goed herinner op de afdeling stoffen en fournituren. Eerst in Groningen en later in Den Haag. Mijn god, wat vond ik het machtig om dat warenhuis te bezoeken. Vooral vanwege de roltrap, een slang die zichzelf opvrat en uitspuwde. Dreigend en veilig tegelijk. Je ging erop staan en hup je ging mee naar boven, onverbiddelijk. Wat een gevoel! Alsof je naar de maan vloog.

Tegenwoordig bezoek ik om de maand de V&D, aan het Rokin in Amsterdam. Eerst met zoon, maar sinds die Cool Cat heeft ontdekt, meestal alleen nog met dochter. We kopen er kleren voor haar. Zij heeft eindeloos shop- en pasgeduld. Het moet niet alleen goed staan, maar ook goed zitten. Daar nemen we de tijd voor. Zij in het pashokje, ik met een stapel broeken, leggings en shirtjes op een kruk aan de andere kant van het gordijn. Ik houd van de V&D. Het is een oase van rust vergeleken bij de H&M, de kwaliteit kleding is er beter dan bij de overschatte HEMA en het ontbreekt aan de poeha van de Bijenkorf. Geef mij maar de V&D.

Nu heeft V&D een commercial op teevee. Een spotje met een hippe voorjaarsdeun van Giovanca. En heel veel vrouwen. Ze plukken van alles uit de boom die sinds een jaar of wat het logo van V&D vormt. De vrouwen zijn midden twintig tot midden dertig en plukken de boom leeg, zonder dat de takken kaal lijken te raken. Mijn favoriete moment is het shot waarin een vrouw het woord Apple uit de boom plukt. Niet om haar Adam mee te verleiden, maar om te vieren dat ze vrouw is en kan kopen wat ze wil. De man is enkel de schouders waarop zij klimt om te plukken van de boom.

Sublieme boodschap: wie Apple plukt, neemt kennis van Goed en Kwaad.

Next Page »